Toelichting financiële effecten wijzigingen BBV

1. Inleiding

De landelijke voorschriften die gaan over het opstellen van een begroting en een jaarrekening veranderen sterk. Rode draad in deze nieuwe voorschriften is de versterking van de rol van de gemeenteraad en meer (financiële) vergelijkbaarheid tussen gemeenten. De belangrijkste wijzigingen gaan in vanaf de programmabegroting 2017. Een uitzondering zijn de wijzigingen voor grondexploitaties, die zijn al in 2016 van toepassing. De wijzigingen hebben ook direct financieel effect voor de programmabegroting 2017-2020. In programma 10. Financiën en belastingen hebben we de financiële effecten verwerkt.

In deze bijlage geven we een uitgebreidere toelichting op de wijzigingen. We staan stil bij het financiële effect van de volgende aanpassingen:

  1. Investeringen in de openbare ruimte moeten we voortaan activeren.
  2. Verplichte regels over de rente in de begroting.
  3. Verplichte regels over doorbelasting van overhead.

De overige wijzigingen in het kader van de verslagleggingsvoorschriften hebben geen direct financieel effect en hebben we daarom ook niet meegenomen in deze bijlage.

2. Totaal financieel overzicht

In de volgende tabellen geven we een totaaloverzicht van de financiële effecten van de BBV-wijzigingen die we hierboven benoemd hebben.
Het effect splitsen we in een zogenaamd bruto effect en een netto effect. Voorbeeld hiervan is dat een renteverlaging leidt tot lagere kosten voor afval (bruto effect) maar dat dit voordeel niet ten gunste komt van de reguliere begroting maar ten gunste van de afvalstoffenheffing (netto effect voor de begroting is nihil).

- is voordeel
+ is nadeel
bedragen x € 1.000

Bruto voordeel

2017

2018

2019

2020

Investeringen openbare ruimte

-2.175

-1.769

-1.850

0

Rente 

-350

-611

-971

-772

Overhead

114

114

114

114

Saldo

-2.411

-2.266

-2.707

-658

Het totale voordeel in de eerste drie jaar is ruim boven de € 2 miljoen en in het laatste jaar € 658.000 structureel.
Het activeren van de investeringen in de openbare ruimte levert incidentele voordelen op. In het laatste jaar is er nog een voordeel van afgerond € 1,5 miljoen. Dit bedrag hebben we in de begroting op een stelpost gezet. Deze ruimte is de komende jaren namelijk nodig om de stijgende kapitaallasten op te kunnen vangen. Deze stelpost bouwen we in de jaren na 2020 geleidelijk af, zodat er in die jaren steeds sprake is van een incidenteel aanvullend voordeel.
De wijziging van de rente levert structureel voordeel op.
In de basis leveren de wijzigingen van het BBV dus voor alle jaren een voordeel op.

In de volgende tabel hebben we inzichtelijk gemaakt ten gunste van welke posten deze voordelen komen. Hieruit volgt dan het zogenaamde netto effect op de begroting.

 is nadeel
- Is voordeel
bedragen x € 1.000

Effect BBV

2017

2018

2019

2020

Totaal effect BBV

-2.411

-2.266

-2.707

-658

Ten gunste van: 

- Grondexploitaties

-64

231

231

231

- Overige producten grondbedrijf

634

634

634

634

- Afval

-116

-119

-76

-53

- Parkeren

119

117

116

117

- Riolering

-12

-12

-12

-12

Totaal ten gunste van:

560

852

893

917

Netto effect BBV

-1.850

-1.414

-1.814

259

De conclusies hieruit zijn:

  • De eerste drie jaar is er sprake van incidentele voordelen. Dit wordt vooral veroorzaakt door het activeren van de investeringen in de openbare ruimte.
  • Het laatste jaar is er een nadeel van € 259.000. Dit komt vooral doordat de producten van het grondbedrijf, afval, parkeren en riolering het meeste voordeel hebben van de lagere rente. Het voordeel wat normaal binnen de reguliere begroting bleef gaat nu dus naar deze producten.

Het netto effect hebben we in programma 10. Financiën en belastingen als 3O-ontwikkeling opgenomen.

3. Investeringen in de openbare ruimte activeren

Korte toelichting

Eén van de veranderingen van het BBV is dat we investeringen in de openbare ruimte voortaan moeten activeren. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld investeringen in wegen, parken en openbare verlichting. Tot nu toe brachten we deze investeringen via het integraal uitvoeringsprogramma openbare ruimte (IUP) meteen ten laste van de exploitatie. Dat mag niet meer. We hebben daarom alle budgetten in de openbare ruimte gesplitst in een onderdeel investering (vervanging) en een onderdeel groot onderhoud. Het onderdeel investeringen gaan we activeren. Dit betekent dat we de lasten over meerdere jaren verspreiden. De lasten berekenen we op basis van de verwachte levensduur.

Resultaat en effecten

Deze verandering betekent een verlaging van het jaarlijkse budget voor groot onderhoud tussen € 1,8 en € 2 miljoen. Deze bedragen zijn nodig voor vervanging en komen dus terug in de vorm van een investering. Hierover berekenen we jaarlijkse investeringslasten. Deze investeringslasten stijgen elk jaar. Hierdoor ontstaan er incidentele voordelen in de jaren 2017 tot en met 2019.

In de volgende tabel geven we het samenvattend beeld weer:

- is voordeel
+ is nadeel
bedragen x € 1.000

Activeren openbare ruimte

2017

2018

2019

2020

Voordeel door verlaging groot onderhoud

- groen

-628

-628

-628

-628

- wegen

-498

-298

-298

-298

- openbare verlichting

-673

-585

-785

-585

- verkeersregelinstallaties 

-310

-310

-310

-310

- haven

-65

-65

-65

-65

Verlaging groot onderhoud

-2.175

-1.887

-2.087

-1.887

Extra investeringslasten door investeringen

0

118

237

352

Reserveren als stelpost

1.535

Totaal voordeel

-2.175

-1.769

-1.850

0

In het laatste jaar is er nog een voordeel van afgerond € 1,5 miljoen. Dit bedrag hebben we in de begroting op een stelpost gezet. Deze ruimte hebben we de komende jaren namelijk nodig om de stijgende kapitaallasten op te kunnen vangen. Deze stelpost zetten we in de jaren na 2020 steeds voor een gedeelte in. Deze stelpost bouwen we langzaam af. Na ongeveer 25 jaar is deze nihil. Tussentijds kan deze stelpost deels incidenteel vrijvallen. Na 25 jaar ontstaat het punt dat de jaarlijkse kosten (rente en afschrijving) van de investeringen hoger zullen zijn dan de vrijval.

4. Verplichte regels over rente in de begroting

Korte toelichting

Op basis van de nieuwe BBV-voorschriften wijzigt de toerekening van rente. Dit heeft ook effecten voor de begroting. De nieuwe rentetoerekening in de begroting wordt in hoofdlijnen als volgt:

  • De rente rekenen we via investeringen toe aan de producten. Bijvoorbeeld de rente over investeringen in onderwijshuisvesting rekenen we toe aan de kosten voor onderwijs.
  • Het rentepercentage voor deze producten moet een gemiddelde rente over vreemd en eigen vermogen  zijn. Dit betekent een verlaging van de huidige rekenrente van 4,5% naar 2%.
  • De rente over grondexploitaties (bouwgronden in exploitatie) bepalen we over de boekwaarde per 1 januari van het jaar. Het rentepercentage is wettelijk vastgesteld. Dit is het gewogen gemiddelde van de rentekosten van het vreemd vermogen. Voor 2017 hebben we deze op 1,5% berekend. Voor de jaarrekening moeten we de werkelijke rente in dat jaar berekenen.
  • De rente die we jaarlijks bijschrijven op onze reserves wordt beperkt. Hiervoor hanteren we ook 2%.

Resultaat en effecten

In deze programmabegroting hebben we alle rentepercentages aangepast:

  • 2% voor reguliere investeringen.
  • 1,5% voor grondexploitatiecomplexen

Deze rentepercentages hebben we zowel voor bestaande als voor nieuwe investeringen aangepast. Voor nieuwe investeringen is in principe het investeringsbedrag gelijk gebleven en zijn de jaarlijkse lasten die we daarvoor begroot hebben verlaagd. Twee opvallende posten daarbij zijn:

  • Investeringen in maatschappelijke voorzieningen voor ontmoeten en sport: hiervoor is in de programmabegroting 2016-2019 een investeringsbedrag van € 18,5 miljoen opgenomen. Dit leidde op basis van 4,5% rente tot jaarlijkse kosten voor rente en afschrijving van € 1,2 miljoen. Verlaging van de rente naar 2% betekent dat de jaarlijkse kosten ongeveer € 450.000 lager geworden zijn.
  • Stadscentrum: hiervoor is in de programmabegroting 2016-2019 vanaf 2018 een structureel bedrag van            € 650.000 opgenomen. Aangezien dit bedrag nog niet is gekoppeld aan een concrete investering hebben we dit bedrag niet gewijzigd.

Naast de aanpassing van de rente hebben we ook de jaarlijkse onttrekkingen uit de reserve Maaslandgas en de reserve deposito BNG verlaagd omdat we jaarlijks minder rente mogen toevoegen. Dit is een begrotingsnadeel omdat we nu jaarlijks een lager bedrag uit deze reserve kunnen halen.

Na alle aanpassingen ontstaat het volgende financiële voordeel:

- is voordeel
+ is nadeel
bedragen x € 1.000

Rente

2017

2018

2019

2020

Rentevoordeel  totaal

-350

-611

-971

-772

Ten gunste van:

- Grondexploitaties

152

447

447

447

- Overige producten grondbedrijf

586

586

586

586

- Afval

29

26

68

92

- Parkeren

167

166

165

166

Totaal ten gunste van

934

1.226

1.267

1.291

 Saldo 

584

614

296

519

Het totale rentevoordeel loopt meerjarig op tot ongeveer € 0,8 miljoen in 2020. Van dit voordeel komt echter een groot deel (€ 1,3 miljoen) ten gunste van:

  • grondexploitaties: de rente die we jaarlijks toevoegen aan grondcomplexen hebben we in de begroting op 1,5% berekend. Dit voordeel komt ten gunste van deze grondcomplexen.
  • overige producten van het grondbedrijf: het voordeel van de renteverlaging voor erfpachtgronden, beheergronden, verhuurde panden en percelen hebben we ten gunste van de algemene bedrijfsreserve van het grondbedrijf gebracht.
  • afval: het voordeel van de lagere rente hebben we ten gunste van de afvalstoffenheffing gebracht.     
  • parkeren: het voordeel van de lagere rente hebben we ten gunste van het parkeerbedrijf gebracht.   

Het nadelige totaalsaldo wordt veroorzaakt doordat het rentevoordeel ten gunste van de reguliere begroting kwam en nu ten gunste van bovenstaande producten.

5. Verplichte regels over doorbelasting van overhead

Korte toelichting

Uitgangspunt is om te stoppen met complexe kostentoerekening van overheadkosten zoals ICT, huisvesting, inkoop, financiën en facilitaire zaken. We moeten de overhead vanaf nu centraal begroten en verantwoorden in de begroting en jaarstukken. Dat doen we in ons huidige programma 9. Bestuur, organisatie en dienstverlening. Het BBV schrijft verplicht voor wat allemaal onder overhead valt.
We belasten alleen aan het grondbedrijf overhead door omdat er anders een tekort op de begroting ontstaat en omdat we hiermee ook een goed beeld van de totale kosten krijgen. Voor het berekenen van de kostendekkende tarieven, bijvoorbeeld in het geval van afval, riolering en leges mogen we de overhead wel in het tarief meenemen. In de paragraaf lokale heffingen hebben we toegelicht hoe we hiermee omgaan.

Resultaat en effecten

Naast een nieuwe kostenverdeling hebben we ook kritisch gekeken naar het aantal uren dat we naar grondexploitaties en projecten doorbelasten. Hierdoor komt er per saldo een nadeel van afgerond € 0,1 miljoen
uit de nieuwe kostenverdeling.
Door de nieuwe voorgeschreven wijze van overheadberekening stijgt het overheadpercentage naar 88% (opslag van overhead ten opzichte van regulier uurtarief). Deze stijging betekent dat we meer overhead doorbelasten naar grondexploitaties, afval en riolering. Deze hogere doorbelasting betekent een voordeel voor de reguliere begroting omdat deze hogere kosten binnen de tarieven/grondcomplexen terugverdiend worden.
In het volgende overzicht geven we een samenvattend beeld weer:

- is voordeel
+ is nadeel
bedragen x € 1.000

Kostenverdeling

2017

2018

2019

2020

Nadeel nieuwe kostenverdeling 

114

114

114

114

Ten laste van

- Grondexploitaties

-216

-216

-216

-216

- Overige producten grondbedrijf

48

48

48

48

- Afval

-145

-145

-145

-145

- Riolering

-12

-12

-12

-12

- Parkeren

-48

-48

-48

-48

Totaal ten laste van

-374

-374

-374

-374

 Saldo 

-260

-260

-260

-260

Per saldo betekent de nieuwe kostenverdeling een jaarlijks voordeel van € 260.000.

6. Samenvattend

Samengevat is het effect van de invoering van de nieuwe verslagleggingsvoorschriften voor de totale begroting als volgt:

- is voordeel
+ is nadeel
bedragen x € 1.000

Totaal voordeel

2017

2018

2019

2020

Investeringen openbare ruimte

-2.175

-1.769

-1.850

0

Rente 

584

614

296

519

Overhead

-260

-260

-260

-260

Saldo

-1.850

-1.414

-1.814

259

Daarnaast gaan de voordelen vooral naar:

  • grondexploitaties en overige producten grondbedrijf: € 0,9 miljoen. Dit betekent een versterking van de positie van het grondbedrijf.
  • parkeren: € 0,1 miljoen.